Pluimveehouder Kipster: “We hebben te veel dieren”

Wanneer Kipster-initiatiefnemer Ruud Zanders mij benadert voor een gesprek houd ik de boot in eerste instantie af. Van een afstandje beschouwd lijkt Kipster me één van de succesvolste boerenbedrijven van Nederland – waar ik juist probeer te begrijpen hoe het komt dat veel boeren financieel met hun rug tegen de muur staan. Ruud vertelt me echter wat ik niet had verwacht te horen: ook hij legde het loodje. De ervaring zette hem aan tot een zoektocht naar de dieperliggende oorzaken van zijn faillissement – en die vond hij.

Wat ik ontdekte – in het kort

In 2007 tekende pluimveehouder Ruud Zanders zijn faillissement. Het mislukken van zijn bedrijf ontketende een periode van kritische zelfreflectie: wat had hij kunnen doen om het faillissement te voorkomen? De conclusie, dat we onethisch produceren en consumeren, bracht een diervriendelijk, milieuvriendelijk en mensvriendelijk alternatief voor eieren voort: Kipster. Het bedrijf loopt als een tierelier. Maar hoe zijn eigen succes de rest van de sector hoop biedt? Ruud geeft een denkrichting mee, maar moet het sluitende antwoord verschuldigd blijven.

Mijn zoektocht naar een eerlijke waardering van de makers van ons eten levert me een voorlopige stelling op: door innovatief ondernemerschap weet een minderheid van de boeren zich te onderscheiden en een goede boterham te verdienen. De meerderheid, die zich niet weet te onderscheiden maar verantwoordelijk is voor het grootste deel van de voedselproductie, lijkt op de financiële afgrond af te stevenen.

Welkomstbord bij Kipster met tekst welkom erop en kippen houden is een eitje

Om te begrijpen waarom zoveel boerenbedrijven in permanent financieel noodweer verkeren zijn het juist die verhalen die ik zoek. Hoe komt het dat de ‘gewone’ boer – die zich niet weet te onderscheiden – zoveel moeite heeft om rond te komen?

Dit portret is onderdeel van mijn zoektocht naar een eerlijke waardering van de makers van ons eten. Ik lees verhalen over misstanden die variëren van onderbetaling van Nederlandse boeren tot aan uitbuiting op cacaoplantages in West-Afrika en slavernij in de visserij in Thailand. Waar dit gebeurt, vind ik dat onrechtvaardig. En wil ik het niet langer financieren met mijn aankopen.
 
Daarom wil ik weten op welke schaal we de makers van ons eten onderwaarderen, welke oorzaken hieraan ten grondslag liggen én hoe het anders kan.
 

Door de voedselsector heen en erbuiten ga ik het gesprek aan. Het artikel dat je nu leest, is een portret van zo’n gesprek. Van één perspectief. Hoor en wederhoor zit ‘m niet zozeer in dit portret, maar in mijn hele zoektocht. 

Praat je mee? Ik stap er met open vizier in, en heb jouw hulp hard nodig om te duiden wat ik leer en tot evenwichtige antwoorden op mijn vragen te komen.

Ik laat Ruud dus weten dat ik verstek laat gaan als ik zijn uitnodiging voor een gesprek ontvang. Maar kan een glimlach niet onderdrukken als ik zijn reactie lees. Hij mailt terug: “Helemaal goed. Al ben ik ook een ‘gewone’ boer hoor. Ook ik heb met mijn rug tegen de muur gestaan toen ik een grootschalig pluimveebedrijf had, tot aan een faillissement toe. En ben juist van daaruit anders gaan kijken. Ik zie zoveel herkenbare punten in je interviews met andere boeren omdat ik ook in hun schoenen heb gestaan. Wat zij zeggen zou ik vroeger ook gezegd hebben, maar nu niet meer.” Ruud heeft mijn aandacht. Een ‘gewone’ boer die ik dan toch maar eens moet gaan beluisteren.

Wat ik overigens niet alleen doe. Een van mijn volgers, Gerhard, reist met me mee naar Venray en schuift aan bij het interview met Ruud. Kom jij mee naar mijn volgende interview?

Als Gerhard en ik aankomen parkeren we naast de enige andere geparkeerde auto, een zwarte Tesla. Die moet van Ruud zijn. Hij zit al op ons te wachten in het Kipster bezoekerscentrum. We gaan zitten aan een tafel die de dwarsdoorsnede van een ei afbeeldt terwijl Ruud reageert op mijn interview met een pluimveehouder die stelt dat schaarste weer respect zou afdwingen voor de boer.

“Typerend dat wij dit als boeren opmerken”, zegt Ruud. “Maar als je erin duikt, klopt er helemaal niets van. Als er schaarste zou zijn, zouden we per direct stoppen met het consumeren van de producten van deze pluimveehouder – en zouden we de granen die hij zijn dieren voert, zelf opeten.” Ruud neemt ons mee op de zoektocht die hij zelf ondernam om uit te leggen wat hij bedoelt.

8 miljoen kuikens

In 1998 neemt Ruud samen met zijn broer de pluimveehouderij van zijn ouders over. Naar Ruuds vertelling de grootste kippenboer in Oirlo, zo niet van Zuid-Nederland. De broers Zanders bouwen het bedrijf uit tot een onderneming met 125 werknemers, een jaaromzet van 40-45 miljoen euro en vestigingen door heel Europa en zelfs daarbuiten. Ruud: “40-45 miljoen euro op jaarbasis, da’s best veel voor een boer.”

Jaarlijks broeden de broers meer dan 8 miljoen kuikens uit. Totdat Zanders Poultry Group, dat met recht grootschalig genoemd kan worden, door een samenloop van de vogelgriep in 2003, te snelle groei en mislukte buitenlandinvesteringen in een neerwaartse spiraal terechtkomt. “Op 16 oktober 2007 vroegen we ons faillissement aan. Ik was 34, zag mijn bankrekeningen op nul staan en kwam volledig tot stilstand.”

pluimveehouder Ruud Zanders die uitleg geeft met kippen op de achtergrond
Pluimveehouder Ruud Zanders.

Er vangt een tijd aan die Ruud niet in de koude kleren gaat zitten. Waarom bevindt hij zich in deze malaise? Wat had hij anders kunnen doen? Ruud: “Er zijn grootschalige boeren die het wel redden. Waarom wij niet? Hadden we 16 miljoen kuikens moeten uitbroeden in plaats van 8 miljoen? Had een nog groter bedrijf ons wél van de ondergang gered?”

Zou het mogelijk zijn om diervriendelijk, milieuvriendelijk en mensvriendelijk te produceren en toch een goede boterham te verdienen?

Pluimveehouder Ruud Zanders Tweet

Ruud dwingt zichzelf tot diepgravende reflectie en formuleert twee vragen die hem nog jaren bezig zullen houden: hoe zijn we terecht gekomen in een voedselsysteem dat wordt gekenmerkt door grootschalig, grootschalig en grootschalig? En zou het mogelijk zijn om deze waarden te vervangen door diervriendelijk, milieuvriendelijk en mensvriendelijk – en toch een goede boterham te verdienen?

Antwoorden op die vragen – daar heb ik natuurlijk wel oren naar.

Ruud trapt af waar hij destijds zelf begon met zoeken. “Net na de Tweede Wereldoorlog werd mijn moeder grootgebracht op een kleinschalige, gemengde boerderij. De boerderij had als doel het eigen gezin te onderhouden en was daarom gestoeld op twee principes: het zo goed mogelijk benutten van de dieren en het land, en bijproducten zoveel mogelijk omzetten in eten. Zo stond er in de keuken een hok met daarin een varken. Het blad dat mijn oma van de bloemkool afsneed ging naar het varken, dat na verloop van tijd weer een lekker stukje karbonade opleverde.”

meisje en jongetje bij kippen voor huis op zwartwitfoto
De moeder van Ruud Zanders wordt grootgebracht op een kleinschalige, gemengde boerderij waar de dieren en het land zo goed mogelijk worden benut. Foto: archief Ruud Zanders.

Minister Mansholt

“In de jaren die volgden”, vertelt Ruud verder, “maakten die twee principes in rap tempo plaats voor een nieuwe benadering van ‘de boerderij’. Minister Sicco Mansholt van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening adopteerde het Marshallplan en legde ermee de basis voor het Gemeenschappelijk Europees Landbouwbeleid. Dit was de opdracht van Mansholt aan de boeren: ‘produceer zoveel mogelijk eten tegen een zo laag mogelijke prijs.’ Met deze aanpak wilde Mansholt honger, zoals Nederland die in de oorlog had gekend, uitbannen.”

“Een goed plan natuurlijk”, zet Ruud zijn reflectie voort. “Maar in onze kapitalistische economie is er maar één manier om de continue kostenreductie die Mansholt voor ogen had, te bereiken: specialiseren en opschalen. De kleine, gemengde boerderij waar de generatie van mijn ouders opgroeide verwerd tot een steeds grootschaliger, gespecialiseerd bedrijf. Alleen zo kon zoveel mogelijk geproduceerd worden tegen zo laag mogelijke kosten.”

“Ondanks de grote steun blijven de inkomens achter. We zullen veel sneller moeten werken, er zal een groot aantal mensen uit de landbouw moeten en we moeten naar grotere bedrijven.” Dit is de visie waarmee Sicco Mansholt, van 1945 tot 1957 minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, de Nederlandse voedselvoorziening na de Tweede Wereldoorlog op de been krijgt.

Een controversiële visie die zich uiteindelijk tegen hemzelf, de medemens en het milieu keert – zoals Mansholt zelf ook, veel later pas, inziet. Maar ook een visie die Nederland én Europa mede uit het slob trekt. Een visie die de honger, die vele levens had gekost tijdens de Tweede Wereldoorlog, uitbant. “Ik denk dat Sicco Mansholt één van de weinige Nederlanders is”, zegt Mansholts biograaf Johan van Merriënboer, “waarvan je kunt zeggen dat ze op bovennederlands niveau bepalend zijn geweest voor de wereldgeschiedenis.”

Sociaaldemocraat in hart en nieren

In 1908 wordt Sicco Leendert Mansholt geboren op monumentale boerderij ‘Totum’: een Gronings akkerbouwbedrijf dat ruim 90 hectare bestrijkt in de uitgestrekte Westpolder. Als tiener bezoekt Sicco de hogereburgerschool in Groningen (voorloper van het havo en vwo) en daarna de Tropische Landbouwschool in Deventer. Op een tweejarige uitstap naar Nederlands-Indië volgt de aankoop van een boerderij in de op dat moment onlangs drooggelegde Wieringermeer in Noord-Holland. Mansholt vestigt zich er in 1937 en trouwt met Henny in 1938.

Mansholt, die opgroeit in een welgesteld landbouwgezin met een actief linkse oriëntering, is een sociaaldemocraat in hart en nieren. Zowel zijn moeder als zijn grootvader zijn politiek actief. Als Mansholt in 1995 overlijdt herinnert PvdA’er Jacques Wallage hem als iemand die “onverbiddelijk de kant koos van de mensen zonder bezit.”

Tijdens de bezetting door de Duitsers blijkt de visionaire boer van onschatbare waarde voor de voedselvoorziening in West-Nederland. Hij tuigt een uitgebreid distributienetwerk op dat velen voorziet van voedsel. Ook onderneemt hij andere verzetsactiviteiten, zoals het verbergen van Joden en het organiseren van wapentransporten. Met zijn inspanningen redt Mansholt vele levens, in het bijzonder tijdens de hongerwinter van 1944-45.

Mansholts verdiensten en expertise blijven niet ongezien. Een maand na de bevrijding wordt hij gevraagd om minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening te worden. Hij bekleedt de rol dertien jaar gedurende zes kabinetten. Bij zijn aantreden is Mansholt 37 jaar en de jongste minister.

Stempel op de geschiedenis

De stempel die minister Mansholt drukt op de Nederlandse en later Europese geschiedenis, wordt geïnspireerd door vader Bertus. Hij had ervaren dat de opengrenzenpolitiek van de vooroorlogse kabinetten funest was voor de Nederlandse boeren: zij konden zo niet concurreren met de opkomende graanproducenten in de Verenigde Staten en Rusland. Mansholt stelt een systeem in van gegarandeerde afzet en vaste prijzen.

Zijn politiek geldt voor de belangrijkste landbouwproducten, waaronder graan en melk. Ook stelt de minister importheffingen en restituties bij export in. Het beleid geeft boeren zekerheid op basis waarvan zij kunnen investeren. Tegelijkertijd zijn de prijzen, zeker in de jaren 60, niet zo hoog dat de prikkel om te moderniseren vervalt. De lijn die Mansholt inzet wordt een succesvolle aanjager van de agrarische productie. En die is nodig, want honger moet uitgebannen worden. Onder leiding van Mansholt wordt het naoorlogse Nederland – op dat moment van voedselimport afhankelijk – zelfvoorzienend.

Later blijkt de door Mansholt ingeslagen weg veel meer voor Nederland in de mars te hebben en zelfs nu nog is de invloed van zijn beleid veelomvattend. Nederlands huidige positie van op twee na grootste voedselexporteur ter wereld is gebouwd op de politiek van Mansholt.

Minister Mansholt houdt een toespraakSicco Mansholt. Bron: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis

De minister opereert echter niet in isolement. In 1948 lanceren de Amerikanen het ‘Marshallplan’: hulp aan het door oorlog verwoestte Europa. De hulp komt in de vorm van goederen, leningen en schenkingen. Het Marshallplan is meer een Amerikaans politiek project dan dat het de wederopbouw van de Europese agrarische sector op zijn conto kan schrijven. Al in 1947 is de agrarische productie in Engeland, Frankrijk en Nederland hersteld naar vooroorlogs niveau; Italië en België volgen in 1948.

Echter om een nieuwe oorlog te voorkomen en Europa te verstevigen in de spanningen met de Sovjetunie, heeft het Marshallplan ten doel de economische samenwerking tussen Europese landen te stimuleren. Het zo snel mogelijk op peil brengen van de voedselvoorziening, onder meer door een vaste opbrengstprijs voor een aantal producten, is een van de belangrijkste pijlers van het Marshallplan. Het zijn de eerste gedaanten van de Europese Unie – waarin Mansholt vanaf 1957 een prominente rol zal spelen.

Vandaag de dag beschouwt de Europese Unie Mansholt als één van haar grondleggers. Hij vindt zijn plaats tussen grootgewichten als Winston Churchill en Robert Schuman. Het heeft alles te maken met de invloed die Mansholt uitoefent in zijn rol als vicevoorzitter van de Europese Commissie en Eurocommissaris van Landbouw.

In verweer tegen Mansholt

Tijdens een historische vergadering in januari 1965 haalt Mansholt alles uit de kast om de zes landen die op dat moment lid zijn op een lijn te krijgen over een gemeenschappelijk landbouwbeleid. Door dag en nacht door te vergaderen put hij zijn tegenstanders uit en behaalt hij de overwinning. Er komt een gemeenschappelijke graanprijs. Voor Mansholt een uitkomst die de deur opent naar meer: hij kan zijn ideeën nu ook op Europees niveau doorvoeren.

Wat Mansholt betreft kan alleen door nóg grootschaliger en nóg efficiënter te produceren voorzien worden in voldoende voedsel. Ruud Zanders, medeoprichter van legpluimveebedrijf Kipster, vertelt dat het Mansholtplan in de beginjaren op veel weerstand stuit. “Mansholt was een Groninger en in Groningen waren de meeste boerderijen groot. Mansholt zei dat alle boeren groot moesten worden, maar dat kon niet in Zuid-Nederland. Er was simpelweg de ruimte niet voor. Dus zei Mansholt eigenlijk dat zuidelijke boeren in grote getalen moesten stoppen, zodat de overblijvende boeren op een groter oppervlak verder konden.”

Dirk Strijker, hoogleraar Plattelandsontwikkeling aan de Rijksuniversiteit Groningen, sluit zich aan bij de woorden van Zanders. “[De schaal die Mansholt ambieerde] was een schaal die in Groningen eigenlijk al groot gevonden werd, in de rest van Nederland zeer groot en in de rest van Europa ondenkbaar groot. Veel boerenbedrijven in Frankrijk en in Italië werkten op een oppervlakte van twee à drie hectare. In zijn plan schreef Mansholt honderd hectare neer voor een gemiddeld akkerbouwbedrijf. Dit lag buiten het blikveld van een groot deel van de Europese boeren, en daarmee het blikveld van hun regeringsleiders.”

Mansholt wil dat de helft van de Europese boeren verdwijnt. Door zijn plannen voelen veel boeren zich tot op het bot bedreigd. In maart 1971 leiden de spanningen tot een uitbarsting. Boeren komen massaal naar Brussel en raken er slaags met de politie. Een boer verliest het leven en honderd boeren raken gewond. De boeren, voor wie Mansholt zo hard vecht, keren zich tegen hem. Mansholt wordt er diep door geraakt en de spanningen hebben een grote weerslag op zijn gezondheid.

Ironie

De ironie van Mansholts carrière is dat hij zich bij leven en welzijn bewust wordt van de desastreuze gevolgen van zijn beleid voor de derde wereld en het milieu. Waar vandaag de dag op apocalyptische toon wordt gesproken over de 10 miljard mensen die de aarde naar berekening in 2050 zullen bevolken en daarmee uitputten, deed Mansholt dit ook in zijn tijd al: “Of we nu willen of niet, deze 6 of 7 miljard mensen gaan komen. Al deze mensen zullen meer willen eten, meer willen gebruiken, ook een TV willen hebben, als het kan een autootje rijden. Dat betekent een zodanige vraag naar producten dat de wereld dus snel uitgeput raakt.”

Vlak na de opstand in Brussel, in de zomer van 1971, leest Mansholt het eerste concept van het rapport van de Club van Rome. Het rapport draagt een treffende titel: The limits to growth. Met een schok komt hij tot het inzicht dat zijn zelf ingezette politiek van meer, sneller en groter ecologisch onhoudbaar is. Maar ook economisch worden de beperkingen van zijn plannen steeds voelbaarder. In de jaren 70 en 80 gaat het Nederlandse systeem van gegarandeerde prijzen en afname ten onder aan zijn eigen succes. Om de situatie te doen kantelen wordt onder meer het melkquotum ingevoerd in 1984.

Maar het is al te laat. Mansholts invloed als minister en commissaris van de Europese Commissie is vervlogen en te veel boeren zijn afhankelijk geworden van subsidies en afnamegaranties. Tot op de dag van vandaag drukken de oorspronkelijke ideeën van Mansholt een grote stempel op het Nederlandse en Europese landbouwbeleid. In de laatste periode van zijn leven uit Mansholt meer dan eens zijn somberheid over de situatie. Zoals tijdens het PvdA-congres van 1994, een van zijn laatste publieke optredens: “Als ik de partijprogramma’s lees zie ik dat het vraagstuk van het verstoorde evenwicht op aarde volledig uit de aandacht is verdwenen. Ook paars lost dat niet op. Ik ben somber geworden.” 

Bronnen

RTV Noord-documentaire “Sicco”

Artikel in De Volkskrant: Oud-minister Sicco Mansholt (86) overleden

Artikel in Trouw: Oud-minister en PvdA-politicus Mansholt (86) overleden

Artikel in NRC: Sicco Mansholt (86) overladen

The founding fathers of the EU. Sicco Mansholt: farmer, resistance fighter and a true European

Wikipediapagina Sicco Mansholt

Johan van Merriënboer, ‘Mansholt, Sicco Leendert (1908-1995)’, in Biografisch Woordenboek van Nederland.

EU pioneers

van den Noort, P. C. (1972). De noodzaak en effectiviteit van het Nederlandse landbouwbeleid van Marshall-plan tot Mansholt-plan. Wageningen: Veenman.

Wikipediapagina Marshallplan

National Geographic: This tiny country feeds the world

Nu was de tijd waarin Mansholt deze opdracht gaf, een hele andere dan de onze. Ruud: “De samenleving toen vroeg om oneindig veel meer eten dan boeren konden produceren. Het was een tijd waarin men de straat op ging om meer vlees te eisen. Kun je het je nog voorstellen?”

Het contrast met het hier en nu kan bijna niet groter. Ruud: “Vandaag de dag gaan mensen de straat op omdat ze minder vlees eisen.”

demonstratie tegen vlees met op spandoek de tekst maak gehakt van de vleesindustrie
Bron: Vimeo

Ruud: “Ik denk dat we als agrarische sector te ver zijn doorgeschoten. Dat we nog altijd produceren voor de mensen op de eerste foto, terwijl onze samenleving steeds meer weg heeft van de tweede foto. Het is precies waarom boeren en maatschappelijke organisaties als water en vuur zijn. De één praat vanuit de eerste foto, de ander vanuit de tweede. Als we echt met elkaar willen praten, moeten we ons veel meer in elkaar verdiepen.”

Als boeren en maatschappelijke organisaties echt met elkaar willen praten moeten ze zich veel meer in elkaar verdiepen.

Pluimveehouder Ruud Zanders Tweet

Nu al vind ik Ruud z’n perspectief een waardevolle toevoeging aan mijn zoektocht. Zo had ik er nog nooit naar gekeken. Toch denk ik dat de protesterende groepen op de foto’s niet representatief zijn voor de samenlevingen van toen en nu. Zij vertegenwoordigen eerder stromingen binnen die samenlevingen.

Bij het klimaatprotest in Den Haag afgelopen vrijdag waren tussen de 15.000 en 30.000 actievoerders op de been. Tel daar misschien 100.000 actieve sympathisanten bij op die niet konden komen. Dat is een kleine minderheid op een bevolking van 17 miljoen. Begin vorige week nog schreef NRC dat er van vleesschaamte geen sprake is. Ondanks het groeiend bewustzijn van de impact van vlees op het klimaat aten Nederlanders in 2018 meer vlees dan in 2016 en 2017, zo toonden onderzoekers van Wageningen Economic Research aan. Tussen 2005 en 2018 beweegt de gemiddelde jaarlijkse vleesconsumptie steeds tussen de 76,6 en 79,1 kilogram per persoon. Het relatieve dieptepunt in 2016 (76,6 kilo per persoon per jaar) ligt 3,2% lager dan het hoogtepunt in 2009 (79,1 kilo per persoon per jaar).

De gemiddelde jaarlijkse vleesconsumptie is hier berekend op basis van verbruik van karkasgewicht, dus vlees inclusief been, vet en zwoerd. Als vuistregel geldt dat daarvan ongeveer de helft feitelijk wordt geconsumeerd.

Spectaculair inzicht

Van de jeugd van Ruuds moeder via minister Mansholt naar een samenleving waarin boeren en maatschappelijke organisaties lijnrecht tegenover elkaar staan. Ruud doet zijn laatste en – wat mij betreft – meest spectaculaire inzicht op als hij in 2013 een groep boeren uit verschillende Afrikaanse landen rondleidt door de Nederlandse pluimveesector. De groep wil efficiënter leren produceren en vraagt Ruud om tekst en uitleg bij het Nederlandse efficiëntiesucces. Wanneer hij de boeren onder meer vertelt dat ze hun kippen moeten voeren met hun best beschikbare granen, dienen ze hem van repliek alsof hij gek geworden is. “Onze beste granen? Die eten we zelf op!”

Het kwartje valt bij Ruud. “Sinds deze ontmoeting stel ik te pas en te onpas de vraag hoe ethisch het is om grondstoffen, die we ook als mensen kunnen eten, aan speciaal daarvoor gefokte dieren te geven als we weten dat er wereldwijd bijna een miljard mensen honger lijden. Met een kilogram graan kunnen we via een dier zo’n twee tot vier mensen voeden. Als we dat dier ertussenuit halen kunnen we met diezelfde hoeveelheid graan bij wijze van spreken wel tien mensen voeden.”

In 2018 brachten de Verenigde Naties naar buiten dat wereldwijd 821 miljoen mensen – een op de negen – honger lijden en meer dan 150 miljoen kinderen ondervoed zijn.

volg mijn zoektocht

Volg mijn zoektocht per e-mail of via social media.

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.

Het is in dezelfde fase van zijn zoektocht dat Ruud Hannah van Zanten, universitair docent Dierlijke Productiesystemen aan de Wageningen Universiteit, tegenkomt. Op basis van haar onderzoek naar de rol van dieren in een circulair voedselsysteem stelt Hannah dat dieren in toenemende mate worden gevoerd met voedsel – zoals granen – dat ook door mensen kan worden gegeten. Het leidt tot de zogenaamde voedsel-voederconcurrentie, waarbij mensen en dieren met elkaar concurreren om hulpbronnen als water en land.

Ruud: “Zo lang wij iedere dag vlees op ons bord willen, moeten daar dieren voor worden gevoed. Die voedingsstoffen kunnen we ook geven aan mensen die niet te eten hebben. Dat dit diervoeder de hongerigen van deze wereld niet kan bereiken of voor hen ongeschikt is, is niet waar. Een boer alleen kan inderdaad niet voor elkaar krijgen dat eten eerlijk wordt verdeeld. Dat is een wereldwijd politiek spel. Maar praktisch gezien weet ik niet waarom het niet zou kunnen. Wij halen soja uit Zuid-Amerika, varen Afrika voorbij, zwaaien een keer en zeggen, ‘dit moet naar onze dieren.’”

In 2018 verscheen in wetenschappelijk tijdschrift Science een onderzoek waaruit blijkt dat 83% van de wereldwijd beschikbare agrarische gronden wordt gebruikt voor vee – terwijl vlees en zuivel slechts 18% van de calorieën en 37% van de eiwitten leveren die wereldwijd worden geconsumeerd.

In de 83% wordt meegerekend alle land die nodig is om de veehouderij mogelijk te maken, dus van land dat wordt gebruikt om diervoeder te produceren tot aan land waar de dieren daadwerkelijk grazen.

De werkelijkheid over soja ligt genuanceerder. Wil je daar meer over weten? Lees dan het item hieronder over soja.

Een sojaboon valt uiteen in sojaolie, sojahullen en sojaschoot. Voor diervoeder wordt het schroot gebruikt, wat ook wel sojameel wordt genoemd. In 2014 schreef het CBS: “De meest herkenbare sojaproducten zijn voedingsproducten als sojamelk, tofoe en andere vleesvervangers. Slechts 6 procent van de wereldproductie van sojabonen wordt echter voor dit soort voedingsmiddelen gebruikt. In Nederland wordt het merendeel van de sojaproducten verwerkt door de diervoederindustrie. Slechts een klein deel van de sojaproducten (vooral sojaolie) wordt verwerkt in de voedingsmiddelenindustrie (als in bakolie, margarine en noedels) en voor non-food- toepassingen (als cosmetische producten en biodiesel) (Achtergrondrapport Sojabarometer, 2012 ; LEI, 2006).”

Van de 4,28 miljoen ton sojaproducten die Nederland in 2018 importeerde, werd 1,74 miljoen ton verwerkt tot veevoer. Op haar website schrijft de Nederlandse Vereniging voor de Diervoederindustrie (Nevedi) dat een hoeveelheid van 1000 kilogram sojabonen zich vertaalt in circa 190 tot 200 liter sojaolie, zo’n 20 kilogram sojahullen, 790 kilogram sojaschroot en een klein beetje productieverlies. In massa bestaat een sojaboon dus voor circa 20% uit olie en 80% sojameel. Op de wereldmarkt schommelen de prijzen van olie en meel, maar over de jaren staan de olie en het meel afkomstig uit soja in waarde aan elkaar gelijk.

Dat betekent dat de helft van de door een sojaboon gegenereerde economische waarde – het schroot – kan worden gebruikt om veevoer van te maken. Maar het is niet zo dat alle soja die Nederland importeert in diervoeder wordt verwerkt.

Als ik Ruud hier nader op bevraag benadrukt hij dat zijn punt vooral is dat hij er niet op tegen is als er sojaschroot in veevoer wordt gebruikt, mits het een echt restproduct is. “Vroeger besloeg de olie 80% van de waarde die een sojaboon opleverde en het meel 20%. Er is echter steeds meer gezocht naar een goede verwaarding van het meel en zo zijn we bij dieren terecht gekomen. Vervolgens zijn we zoveel dieren gaan houden dat de waarde van het meel verhoudingsgewijs is gestegen en het dus interessant is geworden om soja ook voor dieren in te zetten. Inmiddels zetten we soja op het land omdat we de schroot willen hebben voor onze dieren. De olie is een bijproduct geworden, en dat is de wereld op z’n kop.”

Per persoon per dag 9 tot 23 gram dierlijke eiwitten

Ruud maakt de grenzen van het ecosysteem aarde heel tastbaar. Wat hem betreft produceren én consumeren we veel te veel. Ruud: “Volgens Hannah van Zanten kunnen we per persoon per dag 9 tot 23 gram dierlijke eiwitten consumeren als we de capaciteit van de wereldwijd beschikbare landbouwgrond eerlijk willen verdelen, echte reststromen zo goed mogelijk benutten én willen voorkomen dat we de aarde uitputten. Uit haar onderzoek blijkt ook dat we in Europa gemiddeld 51 gram dierlijke eiwitten per persoon per dag consumeren, in de Noord-Amerika 63 gram, in Afrika 13 gram en in Azië 20 gram.”

Ruud zet mijn wereld op z’n kop. Ik kwam met de vraag hoe we de makers van ons eten eerlijker kunnen waarderen. Ik ontdek dat – hoe relevant die vraag ook is en blijft – ik hem stel vanuit het paradigma van ons huidige voedselsysteem. Het systeem waar we in produceren is onethisch en door onderdeel te zijn van het systeem leef ik ten koste van andere mensen. En had dat niet eens door.

Ruuds conclusie? “In Nederland eten we asociaal.”

Ruuds conclusie? “In Nederland eten we asociaal. We eten de wereld leeg – of onze toekomst op, het is maar hoe je het bekijkt. Ons voedselsysteem zou er compleet anders uit moeten zien.”

Kun je mijn zoektocht waarderen?

Met jouw steun maak je mijn zoektocht financieel mogelijk, draag je bij aan onafhankelijke journalistiek vrij van wiens invloed of belang dan ook, en faciliteer je een volledig open en toegankelijk gesprek over de waardering van de makers van ons eten.

Ruuds verhaal doet me de vraag stellen hoeveel gram dierlijke eiwitten ik eigenlijk eet op een dag. Al Googelend kom ik uit op het volgende overzicht.

Eiwit in ons eten

  • 100 gram kip: 27 gram
  • 100 gram rundvlees: 26 gram
  • 100 gram gekookt ei: 13 gram
  • 100 gram halfvolle melk: 3,4 gram
  • 100 gram kaas: 25 gram
  • 100 gram bruine bonen: 20 gram
  • 100 gram noten: 20 gram
  • 100 gram tarwe: 11,5 gram

Dat het er anders uit kán zien, bewijst Ruud met zijn initiatief Kipster. Samen met drie compagnons richt hij dit pluimveebedrijf op waar kippen niet gevoerd worden met granen die mensen ook kunnen eten, maar met ‘afval’.

bord met tekeningen van boeren achter Kipster met onder andere Maurits Groen en Ruud Zanders

Ruud: “In Europa komt jaarlijks 88 miljoen ton voedselafval beschikbaar. Naar schatting wordt daarvan slechts 5 miljoen ton verwerkt in diervoeding. Terwijl we in Europa tegelijkertijd meer dan 161 miljoen ton diervoeder produceren. Bij Kipster willen we die 5 miljoen ton helpen uitbouwen. Daarom bestaat 97% van ons kippenvoer uit reststromen; de overige 3% bestaat uit synthetische vitaminen en mineralen die nodig zijn voor het lichaamsonderhoud van de kip.”

Reststromen als kippenvoer bij Kipster
Kipster-kippen worden gevoerd met ons ‘afval’.

Foto’s: Maurice van der Spek, tenzij anders vermeld